Speluitleg

De Basis:
In American Football draait het om terreinwinst. Het veld is 100 yards (ongeveer 91 meter) lang, met aan beide uiteindes een uitzone (endzone) van 10 yards lang. Het team dat in balbezit is heeft vier pogingen om 10 yards te overbruggen. Elke poging heet een down (1st – 2nd – 3rd en 4th down) Lukt het om binnen die 4 pogingen de 10 yards te overbruggen dan verdient het team een serie van 4 nieuwe pogingen. Dit kan door met de bal te gooien (pass) of ermee te gaan rennen (run). Een verre worp kan resulteren in veel terreinwinst, maar de bal kan ook onderschept worden door de tegenpartij. Met de bal rennen is minder spectaculair, maar wel veiliger en levert meestal wel een paar yards op.

Tijden een wedstrijd staan er 22 spelers op het veld: 11 aanvallers (offense) en 11 verdedigers (defense), die de opmars van de offense proberen te stoppen. Een wedstrijd is opgedeeld in 4 quarters, elk van 15 minuten. Omdat de tijd vaak stopt, bijvoorbeeld bij passes die niet worden gevangen, duurt een wedstrijd al gauw 2 tot 2,5 uur.

Scoren:

Zodra een speler de endzone van de tegenstander binnen loopt met de bal of deze hierin vangt levert dat zijn team 6 punten op, wij noemen dat een touchdown. Grenzend aan beide endzones staan hoge doelpalen (uprights) opgesteld. Wanneer een team een touchdown heeft gescoord hebben zij de mogelijkheid om nog 1 extra punt te scoren door de bal tussen de palen te schoppen. Ook is er een mogelijkheid om 2 punten (two-point conversion) te scoren. Dit doe je door in 1 poging nogmaals te rennen of een bal te vangen in de endzone vanaf een bepaalde afstand.

Wanneer een team de bal binnen drie pogingen geen tien yards vooruit weet te krijgen wordt er vaak bij de vierde poging gekozen om de bal weg te schoppen in de hoop dat de tegenpartij (die dan offense wordt), zo dicht mogelijk bij hun eigen endzone moeten beginnen. Ook kan er gekozen worden om een fieldgoal te schoppen (tussen de palen door). Lukt dit dan levert dat het team 3 punten op. Een laatste mogelijkheid om te scoren is wanneer een aanvallende speler met de bal in zijn eigen endzone wordt getackeld. dit heet een safety en levert 2 punten op.

Offense:
De offense wordt aangevoerd door de Quarterback. Hij is de leider van het team en legt na elke down aan zijn team de nieuwe tactiek uit in allemaal afkortingen. Elke speler weet dan precies wat hij moet doen. De quarterback heeft 2 mogelijkheden, hij gooit de bal naar een van zijn “receivers” of geeft de bal af aan een van zijn runningbacks die achter hem staan. Deze proberen er dan zo ver mogelijk mee te rennen. Vaak rent de runningback door een gat in de verdediging die wordt gemaakt door de offensive line. Deze offensive line, bestaande uit de center die de bal in het spel brengt, twee guards en twee tackles, beschermt de quarterback tegen de defense. In de offensive line staat vaak ook een tight-end opgesteld, deze kan helpen blocken maar mag zelf ook de bal vangen.

Defense:
Ook in de defense is elke speler gespecialiseerd in één bepaalde taak. De defense probeert te voorkomen dat de offense binnen 4 downs tien yards terreinwinst boekt, maar kan ook proberen de bal te onderscheppen. Tegenover een offensive line staat de defensive line. Hierin staan twee defensive tackles en twee defensive ends. Zij zijn er onder andere verantwoordelijk voor om de runningbacks tegen te houden. Achter de defensive line staan de linebackers zij proberen bijv. door de line heen te breken en de quarterback op te jagen of te tackelen of de runningback te stoppen. Aan de zijkanten staan cornerbacks opgesteld die proberen de receivers tegen te houden bij het vangen van de bal. In het achterveld tenslotte staan nog safeties opgesteld. Zij vormen de laatste verdedigingslinie: wie hier voorbij weet te komen scoort vaak een touchdown.